Examenstof rijbewijs

1° Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;

2° Koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen; = Wegcode

3° Koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen in uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en de wijzigingen van kracht op de dag van het examen;

4° Belang van de oplettendheid en van de houding ten opzichte van andere weggebruikers;

5° Waarneming, beoordeling en reactie, met name reactietijd, en gedragsveranderingen bij de bestuurder ten gevolge van alcohol, drugs en geneesmiddelen, gemoedsgesteldheid en vermoeidheid;

6° De belangrijkste principes voor het bewaren van afstand, remafstand en wegligging van het voertuig in uiteenlopende weers- en wegomstandigheden;

7° Verkeersrisico’s in verband met verschillende wegomstandigheden, in het bijzonder veranderingen ten gevolge van de weerstoestand en het tijdstip van de dag of de nacht;

8° Kenmerken van de verschillende soorten wegen en daarop betrekking hebbende wettelijke voorschriften;

9° Specifieke risico’s in verband met de onervarenheid van andere weggebruikers en in verband met de kwetsbaarste categorieën van weggebruikers, zoals kinderen, voetgangers, fietsers en personen met beperkte mobiliteit;

10° Risico’s in verband met deelneming aan het verkeer en het besturen van diverse voertuigtypes en in verband met het verschillende gezichtsveld van de bestuurders van deze voertuigen;

11° Reglementering met betrekking tot administratieve bescheiden in verband met het gebruik van het voertuig;

12° Algemene regels voor de door de bestuurder te volgen gedragslijn bij ongevallen en maatregelen die hij in voorkomend geval kan nemen om hulp te verlenen aan verkeersslachtoffers 13° Veiligheidseisen met betrekking tot het voertuig, de lading en de passagiers;

14° Voorzorgsmaatregelen bij het verlaten van het voertuig;

15° De mechanische onderdelen die voor de rijveiligheid van belang zijn : in staat zijn de meest voorkomende defecten te ontdekken, in het bijzonder aan de stuurinrichting, wielophanging, remmen, banden, verlichting en richtingaanwijzers, reflectoren, achteruitkijkspiegels, voorruit en ruitenwissers, uitlaatsysteem, veiligheidsgordels en geluidstoestel;

16° Veiligheidsinrichtingen van de voertuigen, met name gebruik van de veiligheidsgordels, hoofdsteunen en veiligheidsvoorzieningen voor kinderen;

17° Regels voor het milieuvriendelijke gebruik van het voertuig : alleen toeteren indien nodig, matig brandstofgebruik, beperking van uitlaatgassen;

18° Veiligheid in tunnels.